A

A, A (letter, noot); het lidw. een (vóór consonanten); het (voor gewicht, maat, periode):
A4 (a to the fourth), a4;
Know from A to Z;
Sixpence a pound, sixpence per pond;
Twice a day, tweemaal daags;
Two at a time, twee tegelijk;
A Gordon, op voor G. (strijdkreet)!
English without a master, Engl. zonder m.;
A, verbastering van at, by, in, on, van to have en van he, she, it, they;
A.1, eerste klasse (in Lloyd's Register); prima, uitstekend.


Engelsch Woordenboek
Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Negende, omgewerkte en zeer vermeerderde uitgave door
K[arel] ten Bruggencate
Bij J. B. Wolters' U. M. - Groningen, Den Haag
[1920]

Rutgers University Libraries
PF640.B891E v.1

a, a'et, a'n; a. Har man sagt a, får man säga b, wie a zegt, moet ook b zeggen.


Zweedsch-Nederlandsch Woordenboek
door G. Ström
Svensk-Holländsk Ordbok
af G. Ström
Gouda
G. B. van Goor Zonen
[1907]

Rutgers University Libraries
PD5645.D8S7

Omnipædia Polyglotta
Francisco López Rodríguez
[email protected]
[email protected]