Aa (Cornelis van der), schrijver van eenige geschiedkundige werken, geboren te Leyden in 1749, was boekhandelaar te Haarlem, toen hij, die als een ijverig aaklever van het voormalige stadhouderlijke, bewind bekend stond, in 1796, om politieke redenen, bij vonnis van Schepenen der stad Haarlem, tot een vijfjarig confinement in het tucht- en wekhuis aldaar, en vervolgens tot eene altoosdurende verbanning uit het toenmalige departement Holland verwezen werd. In het laatst van 1799, op bekomen afslag van de nog overige twee jaren zijner gevangenisstraf, geslaakt en op vrije voeten gesteld zijnde, vestigde hij zich te Utrecht als Boekhandelaar, en hield zich vervolgens tot aan zijnen dood in 1816, zoo aldaar als te Amsterdam, waar hij later woonde en overleed, bezig met het schrijven van de volgende werken:
Handboekje der Vaderlandsche Geschiedenissen, Dordrecht 1804, 6 dn., 12°.
Geschiedenis van den jongstgeëidigden oorlog, tot op het sluiten van den vrede te Amiens, Amst. 1808, 10 dn. m. pl. gr. 8°.
De Geschiedenis der Vereenigde Nederlanden en derzelver buitenlandsche bezittingen, Dordr. 1811, 25 dn. met pl., kl. 8°.
Geschiedenis van het leven, karakter en lotgevallen van Willem V, Prins van Oranje en Nassau, Franeker 1810, 5 dn. met port., gr. 8°.
De doorluchtige Vorsten uit den Huize van Oranje-Nassau en derzelver uitmuntende daden, Amst. 1814, gr. 8°.
De Tirannijen der Franschen in den jare 1747, 1785-1813 in de Nederlanden gepleegd, Amst. 1814, kl. 8°.
Verlag van de gebeurtenissen in Amsterdam en Woerden in November en December 1813, Amst. 1814, 2 stukjes, gr. 8°.
Zie Aanhangsel op het Algem. Woordenb. van G. Nieuwenhuis; Verdediging van Willem Paschen Gtz., Drost van Breedevoort, tegen Cornelis van der Aa, voorberigt, bl. VIII-IX; C. van der Aa, verdediging tegen Willem Paschen Gtz., bl. 101-109.
Aa (Cornelis van der), boekhandelaar, uitgever en schrijver van politieke en geschiedkundige werken, geb. te Leiden (ged. 22 Oct. 1749), overl. te Amsterdam 26 Oct. 1815. In 1769 werd hij in zijn geboortestad vrijmeester-boekverkooper, verhuisde een jaar later naar Haarlem waar hij in 1779 het burgerrecht verkreeg, zich als boekhandelaar vestigde en in 1788 vinder en deken van het boekverkoopersgild werd. Kort na zijn vestiging benoemd tot boekbinder ter Secretarye, werd hij wegens gebleken prinsgezindheid door het stadsbestuur op 24 Sept. 1795 als zoodanig ontslagen, wat hem Mijne politicque denkwijze vrijmoedig geschetst in de pen gaf. Toen hij bovendien in 1796 meewerkte aan den verkoop van een zeer sterk prinsgezind geschrift: Iets ter bemoedïging van hun, die niet medegewerkt heben tot de revolutie des jaars 1795, werd hij 29 April 1796 veroordeeld tot 5 jaar tuchthuisstraf en eeuwige verbanning uit Holland en West-Friesland. Na zijn vrijlating in 1799 vestigde hij zich als boekhandelaar te Utrecht, waar hij een Request omme rappel van ban benevens eene memorie adstructif, opgesteld en overgegeeven aan het Wetgeevend Lichaam des Bataafschen Volkds (Pamflet Knuttel No. 23098) uitgaf. Toen hij 't in begin van 1801 een prospectus rondzond voor een door ham aangekondigd (nimmer verschenen) werk Tafreel van de achttiende eeuwe, waaring hij o. m. te velde trok tegen de fransche overheersching, werd hij met een geldboete gestraft. In het zelfde jaar werd zijn verbanning opgeheven. Tot in 1807 bleef hij te Utrecht, waar hij nog in pamfletstrijd geraakte met Willem Paschen over de ter doodbrenging van freule van Dorth, gaf toen den boekhandel op en woonde tot zijn dood in Amsterdam.
Zijn portret is door R. Vinkeles gegraveerd naar een schilderij van Chr. van Geelen.
Behalve de reeds genoemde weken verschenen van zijn hand:
Missive, behelsende eenige bedenkingen over het provisioneel rapport van de Commissie van vierentwintig enz. (1796);
Iets betreffende de finantieele gesteldheid van den Burgerkrijgsraad der stad Haarlem enz. (1795);
Geschiedenis van den jongst geeindigden oorlog tot op het sluiten van den vrede te Amiens, bijzonder met betrekking tot de Bataafsche Republiek (1802-1808, 10 dln.);
Beknopt handboekje der vaderlandsche geschiedenissen enz. (1800-1803, 6 dln.);
De geschiedenis der Ver. Nederl. en derz. buitenlandsche bezittingen, geduurende de staats- en erfstadhouderlijke regeerwijzen enz. (1804-1810, 6 dln.; herdr. in 1811, 25 dln.)
Atlas van de zeehavens der Bataafsche Republiek, die van Batavia en Onrust mitsgaders de afbeeldingen van de haring- en de walvischvangst (1805-1806?);
Geschiedenis van het leven, charachter en lotgevallen van wijlen Willem den vijfden enz. (1806-1809, 5 dln.);
De zoogenaamde verdediging van Willem Paschen Gtz., Drossard van het ampt Bredevoort, aangaande zijne bedrijven ten jaare 1799 als commissaris van de militaire rechtbank enz. (1807);
Beknopt en echt verslag van de oproerige bewegingen binnen de stad Amsterdam, op den 15en en 16en Nov. 1813, vervat in twee missives enz. (1813);
De doorluchtige vorsten uit den huize van Oranje-Nassau enz. (1814);
De tyrannyen de Franschen, in den jaaren 1747, 1795-1813, in de Nederlanden gepleegd enz. (1814).
Zie:De Librye 1888 n°. 4; Frederiks en vanden Branden, Biogr. Woordenboek 2; Knuttel, Cat. van de pamfl. verz. berust. in de Kon. Bibl. V, 472; VI, 54; van Someren, Beschr. cat. van gegr. portr. van Nederl. II, 81.
--Rutgers van der Loeff.