Abroeck, Johannes

Abroeck (Johannes), hersteller der orde van Sepulchrinen in Neder-Duitschland. Hij werd geb. te Beeck bij Bree in de Kempen (Belgisch Limburg) omstreeks 1445 en overl. 1509 of '10 in het klooster Hoogcruts bij Noorbeek (Ned. Limb.). Hij studeerde waarschijnlijk aan de Universiteit van Keulen. Toen hij op zekeren dag, omstreeks 1465, langs Odiliënberg (bij Roermond) ging, trof hem de treurige toestand der zoo schilderachtig op een heuvel gelegen kerk, zonder deur, vensters of dak en dienend tot verblijf voor paarden, koeien en zwijnen, zoo zeer, dat hij op de knieën viel en van begeerte om die kerk te herstellen, geheel werd vervuld. Toen hij vernomen had, dat zij door net kapittel van den H. Geest te Roermond was geschonken aan de orde van het H. Graf, na van 1361 ledig te hebben gestaan (wanneer voornoemd kapittel daaruit was getrokken om zijn zetel naar Roermond over te brengen) begon hij eerst met een leekebroeder, ook Johan genaamd, die kerk te reinigen en, gesteund door aalmoezen en giften, wederom te versieren met beelden en altaren. Daarna gingen zij naar het klooster der Sepulchrinen, genaamd Henegouwen, bij Hasselt, waar nog één kloosterling over was, Cornelis Oeslinger, die een slecht leven leidde, zonder geestelijk kleed, dan alleen het rood dubbel kruis der orde, wien zij verzochten om in de orde te worden aangenomen, Jan Abreck tot clericus om priester te worden en zijn gezel tot leekebroeder. Oeslinger, nam hen aan, begon zelf zich tot een beter leven te schikken en nam het gewaad aan door den magister-generaal voorgeschreven. Spoedig werd Jan Abroeck priester gewijd en tot prior van het nieuwe klooster benoemd, waar verschillende novicen van alle kanten het ordekleed kwamen aannemen. Het kapittel van den H. Geest had reeds in 1465 verlof gegeven om het klooster van Odiliënberg in hun kerk en bijgelegen grond en gebouw te vestigen, waartoe ook hertog Arnold van Gelre zijn toestemming gaf. In 1474 stichtte hij te Kinrode, bij Maeseyck, een klooster voor kanunniken zijner orde, dat echter, waarchijnlijk bij gebrek aan inkomsten, bijna geheel verlaten werd, daar de kanunniken naar andere kloosters gingen, waarna hij er een vrouwenklooster zijner orde oprichtte, waarvan zijn zuster Clementia, Augustines van het klooster Godsboomgaard te Roermond, een der grondlegsters was en dat het moederklooster werd van al de kloosters der orde, die in de Nederlanden, Frankrijk en Duitschland vóór de fransche revolutie bestaan hebben. Onder de kloosters door hem gesticht of hersteld zijn die van Culemborg en Venlo, beide tijdens de godsdiensttroebelen in de 16e eeuw vernietigd, dat van St. Leonard bij Gevenbroek, dat misschien het zelfde lot onderging, dat van Udhem in het land van Kleef, waar zich later de congregatie van Windesheim vestigde, dat van Xhavée, in 1686 verwereldlijkt, dat van Hoogcruts en de succursaal te Nedercanne, in 1796 door de fransche Republiek opgeheven. Dit waren alle mannenkloosters; dat van Henegouwen werd in 1507 door kanonnikessen van het H. Graf betrokken. Intusschen was de roep zijner deugden en verdiensten verre verspreid, zoodat de aartsprior van St. Lucas, te Perugia, magister-generaal der orde, Catanius Detraversagius (de Traversariis ?), die 22 Mei 1478 op zijn verzoek den prior en kloosterlingen van Odiliënberg bij de orde had ingelijfd en het kleed voorgeschreven, hem 2 Jan. 1484 tot zijn vicaris voor Neder-Duitschland aanstelde, terwijl de opvolger van Catanius, Fabritius de Oddis, protonotarius apostolicus en aartsprior van Jerusalem, hem 24 Nov. 1485 bevestigde en aan hem en zijn opvolgers alle volmachten gaf, verklarende, dat zijn jurisdictie zich uitstrekte over de provincën Trier, Keulen en Bremen en de bisdommen Kamerijk en Doornik, welke volmachten door paus Innocentius VIII werden bekrachtigd. Paus Sixtus IV gaf 10 Nov. 1481 ook machtiging tot de vereeniging van de vicaria perpetua der parochiekerk van St. Peter en Paulus te Odiliënberg met de orde der Sepulchrinen, waartoe deken en kapittel van den J. Geest te Roermond hunne toestemming gaven. Het klooster van Kinrode werd in 1496 gaf Jan van Horn, bisschop van Luik, zijne toestemming tot den koop van het klooster van de H. Elisabeth, te Luik genaamd der Bons-Enfants, waarheen Johannes Abroeck het klooster der kanonnikessen van O. L. V., genaamd Bethlehem, van Niewstad (L.), waarzij veel van oorlogen te lijden hadden, wilde overbrengen.

Zie: Publications de Limbourg VII (1870) 166, 168, 169, 171, 191; XXVI (1889) 169-219; XXVIII, 250-257, 335, 336, 337, 338, 341; XXIX 27, 50 waar hij ook a Broek, a Broick of Abrock genoemd wordt

(A. J. A. Flament)


Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
onder redactie van
Dr. P. C. Molhuysen,
Conservator aan de Rijks-Universiteits-Bibliotheek te Leiden
en
Prof. Dr. P. J. Blok,
Hooleebaar aan de Rijks-Universiteit te Leiden
met medewerking van tal van geleerden
Erste Deel.
A. W. Sijthoff's Uitgevers-Maatschappij.
Leiden.
1911.

Rutgers University Libraries
CT102.N469Mo v.1

Omnipædia Polyglotta
Francisco López Rodríguez
[email protected]
[email protected]