ACADEMIA GRONINGANA
MDCXIV - MCMXIV
GEDENKBOEK TER GELEGENHEID
VAN HET DERDE EEUWFEEST DER
UNIVERSITEIT TE GRONINGEN
UITGEGEVEN IN OPDRACHT VAN
DEN ACADEMISCHEN SENAAT
TE GRONINGEN BIJ P. NOORDHOFF
MCMXIV
INHOUD
VOORBERICHT
DEN 1EN MAART 1911 WERD DOOR DEN ACADEMISCHEN SENAAT uit zijn midden een commissie aangewezen ter voorbereiding van een waardige herdenking van het driehonderdjarig bestaan der universiteit, bestaande uit vijf leden, één uit elke faculteit, te weten: Dr. C. H. van Rhijn, Dr. J. W. Moll, Dr. G. C. Nijhoff, Mr. J. Simon van der Aa en Dr. J. Huizinga. Op het verzoek der commissie werden ook de rectoren van 1912/13 en 1913/14, Dr. J. H. Kern en Dr. H. J. Hamburger, bij hun ambtsoptreden bereid gevonden, in haar midden zitting te nemen. De samenstelling der commissie bleef niet ongewijzigd: het was de dood helaas, die haar den voorzitter Dr. C. H. van Rhijn op 16 Februari 1913 ontnam. Zijn plaats als lid en voorzitter werd ingenomen door Dr. Is. van Dijk.
Een van de eerste plannen, waarop de commissie de goedkeuring van den senaat en vervolgens van de algemeene feestcommissie vroeg en verwierf, was de uitgave van een gedenkboek, waarvan zij de redactie op zich nam. Men besloot, dat dit zou bestaan uit een historisch gedeelte en een beschrijving van den tegenwoordigen staat der universiteit. Het historische gedeelte zou in de eerste plaats de algemeene geschiedenis der universiteit gedurende de negentiende eeuw bevatten, waarvan aan Dr. J. Huizinga de bewerking werd opgedragen, en voorts eenige losse bijdragen tot de geschiedenis van het onderwijs aan de hoogeschool. Elk der vier overige leden der oorspronkelijke commissie nam op zich, een onderwerp uit de geschiedenis zijner faculteit te behandelen. Ook deze taak moest Dr. Is. van Dijk van zijn voorganger overnemen. Voor de literarische faculteit werd de medewerking verkregen van Dr. B. Sijmons, terwijl Dr. H. Brugmans te Amsterdam bereidwillig gehoor gaf aan een uitnoodiging der redactie, om de oprichtingsgeschiedenis der universiteit nogmaals te beschrijven. Aanvankelijk waren nog anderen, die tot de Groningsche universiteit in nauwe betrekking stonden, om medewerking verzocht, doch ook hier was de dood het werk ongunstig: noch Jhr. Mr. J. A. Feith, noch Mr. P. G. Bos hebben de door hen toegezegde bijdrage mogen voltooien. Wij missen die met smart.
Voor het derde gedeelte, den tegenwoordigen staat der universiteit, werd de hulp ingeroepen van al degenen, die aan het hoofd staan of stonden van universitaire of met de universiteit verbonden inrichtingen. Men vindt hunne namen in den inhoud hierachter.
Het was bij dezen opzet van het boek niet te vermijden, dat de vorm hier en daar zou lijden door gebrek aan eenheid en door herhalingen. De redactie meende aan alle medewerkers zooveel mogelijk vrijheid in de behandeling van hun onderwerp te moeten laten. Die onderwerpen raakten of dekten elkaar meer dan eens. Wat in de algemeene geschiedenis der universiteit reeds was vermeld, moest soms in een der bijzondere studiën van het tweede gedeelte opnieuw uitvoeriger ter sprake komen, terwijl sommige medewerkers van het derde gedeelte aan de beschrijving van hunne inrichting een korte historische inleiding lieten voorafgaan. De commissie van redactie hoopt, dat in al deze gevallen de lezer het voordeel, dezelfde zaken door verschillende oogen bekeken te vinden, als vergoeding zal willen beschouwen voor het gebrek aan eenheid en gelijkvormigheid, dat hem wellicht hinderen zal.
Behalve aan alle medewerkers is de commissie bijzonderen dank verschuldigd aan den heer S. H. de Roos te Haarlem. Aan zijn buitengewone bereidwilligheid is het te danken, dat uit een enkele vraag om raad een geregeld toezicht van zoo deskundige zijde op de typografische uitvoering is voortgevloeid, wat aan het uiterlijk van het boek niet weinig ten goede is gekomen.
De commissie uit den academischen senaat:
IS. VAN DIJK
J. W. MOLL
G. C. NIJHOFF
J. SIMON VAN DER AA
J. HUIZINGA
J. H. KERN
H. J. HAMBURGER
1 Mei 1914
LIJST DER PLATEN BUITEN DEN TEKST
I. | Ubbo Emmius | tegenover den titel |
II. | Het voorgebouw der academie, afgebroken in 1846 | Blz. 24 |
III. | Plattegrond van de academische gebouwen in 1819 | Blz. 26 |
IV. | De academiepoort, afgebroken in 1846 | Blz. 28 |
V. | Gedeelte uit de kaart van Groningen door E. Haubois, omstreeks 1664 | Blz. 30 |
VI. | Plan voor vieuwe academische gebouwen, ontworpen in 1822 | Blz. 34 |
VII. | Het academisch gasthuis, tevoren West-Indisch huis, vóór de verbouwing van 1817 | Blz. 66 |
EERSTE GEDEELTE: GESCHIEDENIS
DER UNIVERSITEIT GEDURENDE DE
DERDE EEUW VAN HAAR BESTAAN
1814-1914
VOORBERICHT TOT HET EERSTE GEDEELTE
HET GEDENKBOEK DER HOOGESCHOOL TE GRONINGEN, DAT IN 1864 ter gelegenheid van haar vijfde halve eeuwfeest door Jonckbloet is bewerkt, werd door den schrijver aangeboden als bouwstoffen voor de geschiedenis der universiteit van hare stichting tot den tegenwoordigen tijd. Een ander, hoopte hij, zou later zich daarvan bedienen bij het schrijven van een geschiedenis der hoogeschool in den vollen zin des woords. Intusschen was in Jonckbloet's werk, vermeerderd met de voortreffelijke levensberichten der professoren door Mr. W. B. S. Boeles, iets gegeven, wat zulk een geschiedenis reeds zoo nabij kwam, dat thans, vijftig jaren later, de tijd nog niet gekomen schijnt tot die poging, welke Jonckbloet erkende niet te hebben gewaagd: het schrijven van een volledige, ruim opgevatte geschiedenis der hoogeschool van 1614 tot 1914. Jonckbloet's werk geeft niet alles, wat wij zouden wenschen, maar in het vele dat hij geeft, is het nog te weinig verouderd, om het nu te willen verbeteren. Bovendien zou men thans zich toch niet kunnen vergenoegen met een putten uit de bouwstoffe, zooals Jonckbloet die heeft opgestapeld, gelijk hij zich dat van den toekomstigen geschiedschrijver voorstelde. Een zelfstanding nieuw bronnenonderzoek zou onvermijdelijk zijn, uitgebreid over vele velden, die Jonckbloet in den uiterst korten tijd, die hem voor zijn werk gegeven was, ondoorzocht moest laten. En toch zou men in hoofdzaken telkens Jonckbloet's voorstelling slechts kunnen herhalen. Het scheen derhalve wenschelijk, thans bij het derde eeuwfeest liever aan het gedenkboek van 1864 al zijn waarde te laten, en voor het gedeelte, dat ditmaal aan de historie gewijd moest zijn, een stof te kiezen zoover mogelijk van die van Jonckbloet verwijderd.
Academia Groningana
MDCXIV - MCMXIV
Te Groningen bij P. Noordhoff
1914
Rutgers University Libraries
Folio LF.G876A
Omnipædia Polyglotta
Francisco López Rodríguez
[email protected]
[email protected]