ONDERZOEKINGEN OVER DE ECONOMISCHE EN SOCIALE ONTWIKKELING VAN AMSTERDAM GEDURENDE DE 16DE EN HET EERSTE KWART DER 17DE EEUW.

DOOR DR. W. VAN RAVESTEYN JR.

AMSTERDAM. -- S. K. VAN LOOY. -- 1906.



Bij de voltooiing van dit geschrift spreek ik mijn hartelijken dank uit aan allen, die mij bij de samenstelling ervan middellijk of onmiddellijk hebben gesteund.

In de eerste plaats moet ik hierbij noemen mijn hooggeachten promotor Professor KERNKAMP, die mij te Amsterdam het denkbeeld van dit onderzoek heeft aan de hand gedaan en die mij daarna, zoowel bij de samenstelling als bij den druk, door een groot aantal nuttige en waardevolle opmerkingen ten zeerste aan zich heeft verplicht.

Veder zijn het vooral de heer JOH. E. ELIAS, die reeds vóór de verschijning van het eerste deel van zijn groot werk de vriendelijkheid had, mij inzage te verleenen van een gedeelte der proeven, alsmede de heeren Mr. W. R. VEDER, Dr. JOH. C. BREEN en KAPTEYN, die mij op het Amsterdamsch Archief met de meeste welwillendheid zijn tegemoet gekomen, wien ik voor een en ander erkentelijk ben. Ten slotte neem ik de gelegenheid te baat, den hoogleeraren, van wie ik aan twee universiteiten het onderwijs mocht volgen, hiervoor openlijk dank te zeggen. Ik vergeet daarbij niet wijlen P. L. MULLER en H. C. ROGGE, wier nagedachtenis bij mij steeds in dankbare en vriendelijke herinnering zal voortleven.

Rotterdam, December 1905.




INLEIDING.

Het was met de hier volgende onderzoekingen ons doel, een bijdrage te leveren tot de kennis der maatschappelijke en dientengevolge ook politieke verhoudingen, zooals die zich te Amsterdam hebben ontwikkeld in de 16e en het eerste kwart der 17e eeuw.

Wij voegen daaraan onmiddellijk toe, dat het hier volgende, onvolledig in allerlei opzichten, slechts een eerste stap bedoelt te zijn op den weg, die tot een volledige kennis omtrent de economische en sociale verhoudingen in het centrum der jonge Republiek moet voeren.

De geschiedenis van die economische verhoudingen verkeert, ondanks het vele werk, dat in de laatste tijden op dit gebied is verricht, nog in het eerste stadium harer ontwikkeling.

Er is tot nog toe niet onderzocht, althans niet in bizonderheden, welke economische rol de steden in het Holland der 17e eeuw eigenlijk speelden, niettegenstaande slechts dit den sleutel kan bieden tot een juist begrip van hare politieke rol en beteekenis; er is nog bijna niets gedaan aan een onderzoek omtrent de sociale samenstelling van de bevolking dier steden, niettegenstaande slechts dit onderzoek ons kan leeren, waaruit de partijstrid in die dagen voortkwam en waarin hij voedsel vond; er is nog haast niets bekend omtrent de economische en maatschappelijke beteekenis der ambachtsgilden in de Hollandsche steden, noch omtrent de vraag, in hoeverre de politieke instellingen der Republiek een gevolg waren van haar al of niet achterlijke kapitalistische ontwikkeling, dan wel, of genoemde instellingen vertragend of belemmerend hebben gewerkt op het ontstaan van manufactuur en kapitalisme.

Omtrent eenige dezer vragen hopen wij, dat men in de volgende bladzijden, zooal geen uitsluitsel, dan toch iets moge vinden, dat ze meer op den voorgrond van het historisch onderzoek brengt en 't een en ander leert omtrent de richting, waarin hare oplossing zal zijn te vinden.

Voor de kennis van de sociale samenstelling der Amsterdamsche bevolking gedurende de 16e en 17e eeuw levert het groote werk van den heer Joh. E. Elias: "De vroedschap van Amsterdam van 1578-1795", kostbare gegevens, althans wat betreft de eene helft dier bevolking, de min of meer bezittende.

Onderzoekingen als deze kunnen moeilijk hoog genoeg geschat worden, daar zij het geheele maatschappelijk aanzien en wezen eener bepaalde bevolkingsgroep ons als 't ware reconstrueeren.

Voor de kennis van Amsterdam in het begin der 16e eeuw en de economische plaats der stad in het toenmalige Holland vinden wij in de Informacie van 1514 talrijke bouwstoffen, welke wij eenigszins hebben trachten te ordenen.

De bronnen voor een ietwat grondiger kennis van de ontwikkeling, zoowel van den handel als van de nijverheid te Amsterdam, zijn voorshands schaarsch of nog niet bereikbaar.

Wij hebben getracht, met de voor ons bereikbare gegevens, althans een schets te ontwerpen van die economische ontwikkeling, speciaal van de nijverheid en de wetgeving, welke deze regelde.

Wat eindelijk de politieke verhoudingen in het eerste kwart der 17e eeuw aangaat, weten wij, dat de regeeringsvorm der stad, in 1477 voorgoed vastgesteld, sinds dien wel meer samengesteld is geworden, maar toch in hoofdzaak ongewijzigd bleef tot den val der Republiek. In het begin der 17e eeuw vond der politiek, die van dat oogenblik de heerschende in de stad zou blijven, haar beste theoretische uitdrukking en verdediging in de Memoriën en Adviezen van den burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft. Die theoretische uitdrukking en verdediging hebben wij daarom trachten te verklaren uit de reëele klassenverhoudingen, welke die politiek moeten hebben bepaald.

Het spreekt van zelf, dat, gegeven het onvolledige van deze onderzoekingen en de groote leemten, die daar blijven in de kennis van de ontwikkeling der verschillende bevolkingsgroepen, slechts een betrekkelijk losse band de verschillende deelen van dit geschrift verbindt.

Toch hopen wij, dat het ondanks deze leemten op sommige verschiijnsellen een nieuw licht moge werpen, en vragen wij met alle bescheidenheid eenige aandacht voor onze pogingen om den samenhang van maatschappelijke en politieke gebeurtenissen aan den dag te leggen.




EERSTE GEDEELTE.



HOOFDSTUK I.


Holland en Amsterdam in het begin der 16e eeuw.

Het doel van het onderzoek, dat wij in de volgende bladzijden willen instellen, is na te gaan, welke plaats, in economisch opzicht, door een bepaalde stad, in ons geval Amsterdam, te midden van de haar omringende steden en het haar omringende platteland werd ingenomen.

Vast immers staat, dat er een zekere economische verhouding bestond tusschen de stad (de steden) en het haar omringende platteland, aangezien het ontstaan der steden op zichzelf reeds een gevolg was geweest van de maatschappelijke arbeidsdeeling, en die arbeidsdeeling op het eind her middleleeuwen zooveel voortgang had gemaakt, dat aan de steden en het platteland een geheel onderscheiden rol in het gezamenlijke productie-proces van het land (het gewest) ten deel was gevallen.

Mocht ook al op het eind der 15e en in het begin der 16e eeuw de tijd niet geheel voorbij zijn, toen men ook in de steden van Holland nog een aantal boerenbedrijven vond, het geringe aantal van die landbouwbedrijven kwam, althans in Amsterdam, zeker niet in aanmerking, vergeleken bij het aantal zuiver-stedelijke bedrijven, d. w. z. handels- of nijverheidsbedrijven, hetzij afzonderlijk, hetzij vereenigd uitgeoefend.

Derhalve was de stad ook in Holland reeds, wat betreft hare verzorging met levensmiddelen, voor een groot deel afhankelijk geworden van het platteland, gelijk omgekeerd dit laatste hoe langer hoe meer voor zijn behoeite aan industrieele producten werd aanewezen op de stedelijke waren-producenten en handelaars.


Onderzoekingen over de economische en sociale ontwikkeling van Amsterdam gedurende de 16de en het eerste kwart der 17de eeuw.
door Dr. W. Van Ravesteyn Jr.
Amsterdam
S. L. van Looy
1906.

Rutgers University Libraries
DJ411.A56R3 1906

Omnipædia Polyglotta
Francisco López Rodríguez
[email protected]
[email protected]