Aa, Christianus Petrus Eliza Robidé van der (1791-1851)

Aa (Mr. Christianus Petrus Eliza Robidé van der), dichter en prozaschrijver, geboren te Amsterdam den 7 October 1791, was een zoon van den hier na te melden Mr. Pierre Jean Baptiste Charles van der Aa, uit diens huwelijk met Francina Adriana Bartha van Peene. Na den 27 December 1811 tot Doctor in de beide regten te zijn gepromoveerd, vestigde hij zich als Advokaat te Leyden, ten einde zijne verkregen kundigheden, onder de leiding zijns bekwamen vaders, die destijds de praktijk te dier stede uitoefende, ten nutte der menschheid aan te wenden. Kort echter mogt hij van die leiding gebruik maken, want reeds den 12 Mei des volgenden jaars zag hij dien arbeidzamen man ten grave dalen. Hierop werd hij, den 13 Junij 1812, wegens zijne bedrevenheid in de Fransche taal, tot Secretaris van den Maire te Sneek aangesteld, welk ambt hij waarnam tot kort na de omwenteling van het jaar 1813, toen hij, den 5 Maart 1814, tot Schout en Secretaris der gemeente de Lemmer werd aangesteld, welke betrekking hij, na de herstelling der grietenijen, met die van Secretaris van Lemsterland verwisselde. Even als hij reeds dadelijk na het uitbarsten van de omwenteling in 1813 zich bij den landstorm had aangegeven, waarbij hij den rang van Majoor bekleedde, en als Schout veel bijdroeg tot het herstellen van orde en tucht, volgde hij in 1815 de roepstem des vaderlands, en trok als vrijwilliger bij het corps Friesche jagers te velde. Naauwelijks naar zijne haardstede teruggekeerd, trad hij den 11 Junij 1816 in de echt met Eelkje Poppes, eene vrouw, die, even als haren echgenoot, niet ongelukkig de lier hanteerde, en wier in het jaar 1814 in het licht verschenen Eerstelingen aan mijn Vaderland, naar het oordeel van bevoegde kunstregters reeds toonde, wat men bij aanhoudende oefening van haar te wachten had; doch zij begreep wijsselijk dat de bestemming der vrouw meer is, om de pligten van moeder en eehtgenoot waar te nemen, dan om als dichteres te schitteren, en hoewel er onder de eerste door haar man uitgegeven kinderwekjes, nog wel eenigen van hare hand zijn, schijnt zij zich later alleen aan haar gezin te hebben toegewijd en de dichtpen te hebben nedergelegd. Nadat van der Aa in 1818 tot Prokureur te Leeuwarden was aangesteld, deed hij zich meer en meer als dichter kennen, en hoewel zijne verzen niet die hooge vlugt nemen, welke hem in de rei onzer cerste dichters plaats kunnen doen nemen, hebben alle zijne pennevruchten eenen liefelijken gang, die ze algemeen met genoegen doet lezen, en strekken óf om verdienstelijke mannen den verdienden maar wel eens onthouden lof toe te zwaaijen, zoo als de Hulde aan de nagedachtenis van N. Lobry, Leeuw. 1818; Hulde aan Harmen Jansz. Groen, Leeuw. 1825; De dood van Lord Byron, Leeuw. 1827, waarvoor hem door de Koninklijke Maatschappij van Tael- en Dichtkunde, gezegd Rhetorica, te Gent, eene gouden medaille werd toegekend; Ter Nagedachtenis van J. L. Nierstras Junior; De dankbare Vriezen aan hunne weldadige Landgenooten, Leeuw. 1828, óf zij ademen eene zuivere vaderlandsliefde, gehechtheid aan Koning en orde, als daar zijn: Onze herinneringen en verwachtingen; Ten afscheid van het jaar 1829 en ter verwelkoming van 1830; de Friezen aan hunnen koning, bij hoogstdeszelfs komst te Leeuwarden, Leeuw. 1830; XXIV Augustus 1830; de Schelde door dwang geopend, Leeuw. 1831; en zoo vele anderen, hetzij in verzamelingen, zoo als in de door hem geredigeerde Nederlandsche Tyrtaeus, in den Muzen-Almanak, en in die voor hetSchoone en Goede, van welke laatste hij een reeks van jaren redacteur was, hetzij afsonderlijk uitgegeven. In beide laatste jaarboekjes treft men ook de meeste zijner huisselijke stukjes aan, in welk vak hij vooral uitmuntte. Ook bleef hij bij de woelingen van die dagen geen wekeloos aanschouwer, maar dadelijk na het uitbarsten der omwenteling hielp hij als vrijwillige rustbewaarder in de gemeente Leeuwarden orde en tucht handhaven, en deed, in 1832, van de hem door tusschenkomst van den Generaal Chassé en den Kolonel Koopman bezorgde overblijfselender kanonneerboot van van Speyk, een aantal voorwerpen vervaardigen, welke den 25 Julij van dat jaar, ten woordeele van de nagelaten betrekkingen der met van Speyk voor de zaak des vaderlands gesneuvelde zeelieden, verloot werden.

De huisselijke omstandigheden des wekzamen mans hadden intusschen eene groote verandering ondergaan. Zijne beminde echtgenoote den 20 Sept. 1828 overleden zijnde, had hij twee jaren later zich op nieuw in den echt verbonden met Lucia Maria de Jongh, weduwe van den Heer Mr. Jan Anthony Kallenberg van den Bosch, die het langoed den Hemelschen berg, bij Oosterbeek, bewoonde, waar de beide echtelingen aanvankelijk slechts de zomermaanden doorbragten; na weinige jaren besloten zij zich echter geheel aldaar te vestigen; zoodat van der Aa op het laatst van 1834, na zijn ontslag als Prokureur bij de regtbank te Leeuwarden verzocht en bekomen te hebben, besloot als Advokaat te Arnhem te praktiseren, waar hij in Junij 1838 tot Regter-plaatsvervanger, en in September van datzelfde jaar tot Regter bij de Arrondissementsregtbank werd aangesteld. Met zijne vestiging aldaar begon als het ware een nieuw tijdvak in zijn leven. Zijne dichtader vloeide niet zoo rijkelijk meer als vroeger; maar hij, die reeds in 1827 bij de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen met goud bekroond was voor het uiteenzetten van de gevolgen van huisselijke achteloosheid, wanorde en verkwisting, schreet van nu af meer in proza; vooral ook was hij sterk werkzaam tot volksverlichting en verbetering van het volksonderwijs, welke bemoeijingen hem in 1840 tot schoolopziener van het eerste distrikt Gelderland deden aanstellen. De in dien tijd nog uitgekomene gedichten zijn: vier door de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, in 1835, met zilver bekroonde Volksliederen; Aan Utrecht in Junij 1836; 9 Augustus 1838, op het feest der Oudstudenten te Leyden; Oproer en Priesterdwang, Amsterdam 1838; Gelderlands hulde aan Koning Willem II, Amst. 1841, en Napoleons Assche, 1841. In proza leverde hij eenige bijdragen in her Magazijn van Romans en Verhalen, en schreef Losse bladen in het groote Levensboek, Amst. 1832, 2 dn.; De zoon der Natuur en de man naar de Wereld, Amst. 1837, 2 dn., dit laatste onder medewerking van zijnen vriend O. G. Heldring; Oud-Nederland, in de uit vroeger dagen overgebleven burgten en kasteelen, Nijmegen, 1841, 2 dn.; de Rijn in afbeelding en tafereelen geschetst (vrij gevolgd naar Tombleson's Views on the Rhine, by J. Watts), Amst. 1836, 2 dn.; Volksverhalen en Legenden aan de Rijnoevers verzameld; (vrij gevolgd naar A. Reumonts Rheinlands Sagen, Geschichte und Legenden, Arnh. 1839, 2 dn. Den meesten roem behaalde hij echter in dit tijdperk als volksschrijver. In de Volksbode, die van 1839-1847 onder zijne redactie en die van den meergemelden Predikant Heldring te Arnhem werd uitgegeven, en bijna alleen stukken van zijne hand bevatte, tastte hij het misbruik van den sterken drank en vele ingekankerde volksgebreken en volksvooroordeelen met geetdrift aan. Met het zelfde edele doel, om het volk te verlichten, te beschaven en daardoor te verbeteren, schreef hij onderscheidene verhandelingen, van welke alleen de opgave even als die van de wekjes voor kinderen, ons door hem nagelaten, meer plaats zoude innemen dan ons bestek hier gedoogt. Dat men dan ook zijne verdiensten op den regten prijs wist te schatten, bleek uit zijne benoeming tot Lid van onderscheidene geleerde genootschappen, als: in 1825 to Lid der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden; in 1826 tot Buitenlid van het Koninklijk Genootschap van Tael- en Dichtkunde te Antwerpen; in 1828 tot Honorair Lid der Maatschappij van Weldadigheid; in 1830 tot Lid der Amsterdamsche Afdeeling van de Hollandsche Maatschappij van Kunsten en Wetenschappen; in 1836 tot Honorair lid van de Maatschappij Felix Meritis; in 1839 tot corresponderend Lid van het Bataviaasch Genootschap der Junsten en Wetenschappen, en in 1842 tot Lid van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. Voorts was hij een ijverig voorstander der vrijmetserlarij; van de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen; van de Maatschappij tot afschaffing der sterke dranken, en van de Nederlandsche Maatschappij van Nijver heid, door welke latste hij zich, in 1843, met den grooten gouden medaille bekroond zag, wegens proeven aangaande de aankweeking der Acacia, waarover hij tevens eene verhandeling schreef onder den title: De aankweeking der Acacia in Nederland beproefd.

Aan dit wekzaam leven werd hij na het verlies zijner tweede gade, die hem den 28 Augustus 1846 ontviel, in 1848 door eene hevige hersenziekete ontrukt, welke hem bijbleef, tot hij den 14 Mei 1851, ten gevolge van den kanker in het aangezigt, ten grave daalde. Zijn portret, gegraveerd door Velyn, treft men aan vóór de Nederlandsche Muzen-Almanak van 1833. Zijne spreuk was die zijn familiewapen: doe wel en zie niet om.

Uit e familiepapieren bijeengebragt.


Biographisch Woordenboek der Nederlanden bevattende Levensbeschrijvingen van Zoodanige Personen, die Zich op Eenigerlei Wijze ins ons Vaderland hebben vermaard gemaakt,
door A. J. van der Aa
Haarlem,
J. J. Van Brederode,
1852

Rutgers University Libraries
DJ103.A2 v. 1

Aa (Christianus Petrus Eliza Robidé van der), geb. 7 October 1791, overl. te St. Anna bij Nijmegen 4 Mei 1851, was een zoon van Pierre Jean Baptiste Charles van Der Aa en F. A. B. van Peene. Den naam Robidé ontving hij naar zijn moeders moeder. Reeds vroeg gaf hij blijken van dichterlijken aanleg: de Nieuwjaarswensch van Leidens Evangelisch-Luthersche Weezen van 1808 is van zijn hand, en ook wordt het tooneelstuk de Duivelin (Leyden 1810) aan hem toegeschreven. In December 1811 promoveerde hij en vestigde zich als advocaat te Leiden tot 1813. In dit jaar werd hij, na den dood zijns vaders, tot secretaris van den maire van Sneek benoemd. Deze betrekking verwisselde hij in 1814 met die van schout en secretaris van de Lemmer, en in hetzelfde jaar met die van secretaris van Lemsterland. In 1815 trok hij als vrijwilliger uit met het corps Friesche Jagers. Na afloop van den veldtocht trad hij in datzelfde jaar in het huwelijk met Eelkje Poppes, die ook aanleg voor de dichtkunst toonde, en in 1814 een bundel: Eerstelingen aan mijn Vaderland had uitgegeven. Na haar huwelijk schijnt zij nog slechts eenige kinderwerkjes met haar man samen te hebben geschreven. Zij overleed 20 Sept. 1828. In 1818 werd hij procureur te Leeuwarden, en van dien tijd af ontwikkelt hij zijn dichterlijke gaven, te beginnen met een gedicht: Aan de nagedachtenis van N. Lobry. Voor zijn gedicht: De dood van Lord Byron (1827) werd hem de gouden medaille toegekend door de Kon. Mij. van Taal- en Dichtkunde te Gent. Hij redigeerde verder in 1830 de Nederlandsche Tyrtaeus, en werkte mede aan de Muzen-Almanak en die voor het Schoone en Goede. Een bekroning met zilver gewerd hem van de Mij. tot Nut van 't Algemeen voor vier volksliederen in 1835.

6 Dec. 1830 huwde hij voor de tweede maal, met Lucia Maria de Jongh, weduwe van Mr. Jan Anthony Kallenberg van den Bosch, die het landgoed "de Hemelsche Berg" bij Oosterbeek bezat. Uit dit huwelijk werd als eenig kind beforen Pierre Jean Baptiste Charles Robidé van der Aa (kol 10). Hij vestigde zich in 1834 als advocaat te Arnhem, waar hij in 1838 eerst tot rechter-plaatsvervanger, later tot rechter in de arrondissementsrechtbank werd aangesteld. Ongeveer van dien tijd af, terwijl hij reeds in 1827 met goud bekroond was door de Mij. tot Nut van 't Algemeen wegens zijn verhandeling: Over de gevolgen van huisselijke achteloosheid, wanorde en verkwisting, begin zijn wekzaamheid als publicist, meest op het gebied van volksverlichting, in het bijzonder in onderwijszaken, waarom hij in 1840 tot schoolopziener in het district Gelderland benoemd werd. Van 1839-47 redigeerde hij, samen met Ds. O. G. Heldring, en Volksbode, die vooral gewijd was aan de bestrijding van drankmisbruik en volksvooroordeelen. Zijn letterkundig werk gaf hij daarmede niet op, blijkens vele romans en verhalen. Enkele hiervan kwamen in 1837 en 1840 uit onder zijn naam en dien van mejuffrouw A. L. G. Toussaint. Ook was hij in 1837 redacteur van de Gids. In dit jaar gaf Ds. A. N. van Pellekom anoniem een zeer ironischen lofzang uit op den "vermaarden schrijver....Coelimonticola", waarmede van der Aa bedoeld werd. Om zijn vele gaven werd hij tot lid van onderscheidene genootschappen benoemd en had hij zitting in vele vereenigingen op maatschappelijk gebied. Nog verwierf hij de gouden medaille van de Mij. van Nijverheid, wegens zijn proefnemingen met de aankweeking der acacia. Aan dit werkzame bestaan kwam een eind in 1848 door een hersensziekte, die zijn geestvermogens dermate zerzwakte, dat hij onder curateele gesteld moest worden. Zijn door P. Velijn naar W. Grubner gegraveerd portret is in den Muzenalmanak van 1833.

Zijn weken zijn behalve bovengenoemde: Aan A. Suringar-de Jong (Leeuw. 1823):
Hulde aan H. J. Groen (Leeuw. 1825);
Rapport der part. comm. in Leeuwarden voor de noodl. overstr. in Vriesland (Leeuw. 1825);
Dichtregelen tot opening ... Nut van 't Algemeen (Leeuw. 1826);
Ter nagedachtenis van J. L. Nierstrasz Jr. (Leeuw. 1828);
De dankbare Vriezen aan hunne weldadige tandgen. (Leeuw. 1828);
Ten afscheid v. h. j. 1829 en ter verwelkoming v. h. j. 1830 (Leeuw. 1829);
Aan H. Reiger bij zijn promotie (z. p. 1829);
Euphrosina, kinderliederen (Amst. 1829-33, 3 st.);
Onze herinneringen en verwachtingen (Leeuw. 1830);
De Friezen aan hunnen koning (Leeuw. 1830);
XXIV Augustus 1830 (Leeuw. 1831);
Nederlandsche Tyrtaeus (Amst. 1830);
De Schelde door dwang geopend (L. 1831);
Cantate, uitgev. ter gel. v. d. verloting enz. (1832);
Verslag loterij enz. (1832);
Oudejaarsavond van 1832 (Leeuw. 1832);
Aan C. M. A. Simon van der Aa bij zijn promotie (1834);
Op het afbeeldsel van Vrouwe K. W. Bilderdijk-Schweickhardt (1834);
Losse bladen uit het groote levensboek (Amst. 1833-1835, 2 dln.);
Merkwaardigheden uit het dierenrijk (1833);
Vier volksliederen (1835);
Gelderlands lied op Vader Willems verjaardag (z. p. 1835);
Aan Utrecht in Junij 1836 (z. p. & j);
Voorbeelden tot vorming van Neerlands jeugd (z. p. 1836);
Veldviooltjes (z. p. 1834);
De Rijn in afbeeldingen en tafereelen (1835);
9 Augustus 1838, op het feest der oudstudenten te Leiden;
Rijmpjes voor zoete kinderen (z. p. 1838);
Geschenk Neerlands jufferschap aangeboden (1838);
Volksverhalen en legenden aan de Rijnoevers (Arnh. 1839, 2 dln.);
G. D. Jordens toegez. bij zijn promotie (1838);
Gedenboek b. d. feestel. Vereen. d. oud-studenten te Leiden (1838);
Catalogus van boekwerken en blugschr. betreff. de woelingen ... tiendaagsche veldtogt (Amst. 1838-40);
Frederika Louisa Wilhelmina, eerste koningin der Nederlanden (Amst. 1838)
Vaderlandsliefde, de schonste der deugden (1839);
Oproer en priesterdwang (Amst. 1838);
Voedsel voor verstand en hart (z. p. 1840);
Hoe donkerder nacht, hoe schooner morgen ... Bemoediging .. vrije Metselaren (Amst. 1841);
Gelderlands hulde aan ... Willem II (Arnh. 1841);
Napoleon's assche (1841);
De aankweeking der acacia in Nederl. (Haarlem 1843);
Nog een letteren prentgeschenkje (s. p. 1843);
Oud-Nederland in de uit vroegere dagen overgeblene burgen en kasteelen geschetst en afgebeeld (Nijm. 1837-1846);
Geschenk aan gehoorzame knaapjes (Amst. z. j.);
Geschenk aan gehoorzame meisjes (Amst. z. j.);
De wereld in haar zondagspak (Amst. z. j.);
Nederlandsche kleederdragten (Amst. z. j.);
Een handvol levensvreugd der Nederl. jeugd aangeboden (z. p. en j.).
Men schrijft hem den Lauwerkrans op Johan Beekman (1809) toe.

Zie: Frederiksen v. d. Branden, Biogr. Woordenboek 2.

--P. H. van Reedt Dortland.


Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
onder redactie van
Dr. P. C. Molhuysen,
Conservator aan de Rijks-Universiteits-Bibliotheek te Leiden
en
Prof. Dr. P. J. Blok,
Hooleebaar aan de Rijks-Universiteit te Leiden
met medewerking van tal van geleerden
Erste Deel.
A. W. Sijthoff's Uitgevers-Maatschappij.
Leiden.
1911.

Rutgers University Libraries
CT102.N469Mo v.1

Omnipædia Polyglotta
Francisco López Rodríguez
[email protected]
[email protected]